Foto Alfred Oosterman | Tekst Marjolein Scherphuis

Zij

Vanochtend, in de pauze, heb je haar aangestoten. Zachtjes. Je hebt gezegd dat je haar iets wilt vertellen. En gevraagd of jullie na school af konden spreken bij de steiger. Ze trok een wenkbrauw op. Eentje maar. En toen knikte ze dat bedachtzame knikje van haar. Je hebt hier heel vaak gestaan, alleen. Meestal in de schemering, om te kijken hoe in het huis aan de overkant de lampen aangaan. Je hebt keer op keer warmgeel licht uit de vele ramen zien golven. Dat huis is haar huis. Het doet pijn om op afstand naar de buitenkant ervan te staan kijken als je eigenlijk binnen wilt zijn. Het is een vreemd soort pijn. Schurend, dan weer scheurend. Je bent gaan geloven dat zo’n overheersend gevoel niet zonder reden bestaat en niet zonder betekenis mag blijven. En hoe vaker je hier stond, alleen, hoe wanhopiger je begon te verlangen naar het eind van die pijn. Met welke gevolgen dan ook. Nu staat ze naast je en kijken jullie samen naar het huis aan de overkant. Ze is zo dichtbij dat je met gemak je arm om haar heen zou kunnen slaan. Je voelt een kalmte die je niet van jezelf kent. Dat komt door haar. Zij is het bij wie je je volledig wilt openen, bij wie je precies zult kunnen zijn wie je bent, al weet je soms zelf niet wat dat inhoudt.┬áDus ga je haar vertellen wat je voor haar voelt. Alleen dat. Je gaat niets vragen, niets voorstellen. Alleen vertellen hoe het voelt om naar haar te verlangen.
Zij is het die bepaalt hoe je leven er daarna uit zal zien. Zij.