Foto Alfred Oosterman | Tekst Marjolein Scherphuis

Uit

Ze staan er al een poosje. Hun verschijning heeft iets weg van een filmscène waarover de regisseur vooraf heeft gezegd dat ze deze zo verinnerlijkt mogelijk moeten spelen. Zij kijkt naar de grond, hij kijkt naar een punt in de verte en jij kijkt weg, omdat je het schurende tussen hen niet langer aan kunt zien.
Natuurlijk dwalen je ogen weer terug naar het paar dat als wassen beelden staat te wachten op de rest van hun leven. En natuurlijk ga je het invullen. Hij maakte het zojuist uit. Of wacht – misschien was zij het, en is het daarom dat hij, overlopend van gekrenkte trots, zo bars in de verte kijkt. Of nee, hij was het – hij sprak zojuist op zachte toon de wrede woorden die nu eenmaal horen bij de aankondiging van een onomkeerbaar afscheid. Haar gebogen hoofd verraadt de slag die haar zojuist is toegediend. Of, of, of …
Je zucht en schuifelt met je voeten, alsof die al lopen en je lichaam er alleen nog maar achteraan hoeft te bewegen. Weg wil je, weg van dit uitzicht op verlies. Want het is uit, zoveel is duidelijk.