Foto Alfred Oosterman | Tekst Marjolein Scherphuis

Scheef

Het was op de verjaardag van je zwager. Een kamer vol mensen met kakkineus gepraat en je hebt toch al zo de pest aan verjaardagen. Gelukkig rook je. In de achtertuin stond je naast je andere zwager en die begon er over. ‘Je bent bouwvakker of je bent het niet, en jij bent het wel, toch?’ Het was die ‘toch’. Je voelde hoe de hitte bezit van je nam. Je zwagers zijn ambtenaren. Dag in dag uit achter een bureau, in een duur pak. Alsof zij weten hoe het is om buiten te werken, orders op te volgen, te sjouwen tot je rug aanvoelt als een overreden stuk vlees. Ze maken de grap op iedere verjaardag. Ja klopt, de Martinitoren staat scheef. Jaar in jaar uit staat-ie scheef. En nee, het is niet aan jou om daar iets aan te doen. Ook al ben je bouwvakker. Toch? Je voelde¬†hoe de hitte de besturing van je hersenen overnam. Op de school van je kinderen is een pestprotocol. En jij, grote vent die je bent, laat eeuw in eeuw uit zonder verzet de rotgrappen van je zwagers over je heen komen. Je liet je sjekkie op de grond vallen en trapte het slappe witte ding met de neus van je schoen in de border. Je zwager haalde adem om er iets van te gaan zeggen. In plaats van hem een hoek te geven, draaide je een nieuw sjekkie en zei: ‘Je mag wel eens wat aan die tuin laten doen.’