Foto Alfred Oosterman | Tekst Marjolein Scherphuis

Opgaan

Ze zeiden het vroeger tegen je. Dat je zo in je omgeving kon opgaan, zeiden ze. Slappe kul was het. Een lafhartige manier om te zeggen dat je te afwachtend was, te verlegen. Je hebt er nooit iets op teruggezegd, je hebt op zulke momenten niet meer dan een schuchter glimlachje ingezet om die ongewenste aandacht te kunnen ondergaan. In je binnenwereld voelde je je vastberadenheid groeien. Jij wist precies wat je wilde. En je wist ook hoe je het zou gaan doen. Studeren, werken. En je bent gelukkig geworden, op jouw manier. In jouw leven is geen gemis en geen onvervuld verlangen. Gelukkig zijn betekent niet voor iedereen hetzelfde, dat wist je al vroeg. Je ziet het in de levens van anderen. Er wordt meer gezocht dan gevonden, als het om geluk gaat. Je gaat nooit in op de vragen van collega’s of kennissen. ‘Hoe doe jij dat toch? Ik wil wat jij hebt, ik wil ook gelukkig zijn.’ Je glimlacht en wacht tot het moment voorbij is. En niemand vertelt jou nog dat je te veel in je omgeving opgaat. Die tijd is voorbij.