Foto Alfred Oosterman | Tekst Marjolein Scherphuis

Ooij

Dat wilgen in het water groeien, je wist het niet. Vast wel eens op een kalender of in een tijdschrift gezien, maar je hebt dat beeld nooit echt toegelaten, laat staan opgeslagen. Uiterwaarden, je leerde erover op school, opgroeiend in een provincie bedekt met veen en zandgronden, waar men van een rivier slechts dromen kan.
Nu ben je hier. Je ogen tasten gretig deze nieuwe horizon af en je voelt een wilde vreugde. Op jouw leeftijd zijn alle uitzichten wel verkend, uitgekauwd, teruggebracht tot veilige vergezichten. Maar jij mag opnieuw beginnen.
De wind die van het water komt, vouwt de wilgen, buigt de takken, streelt de bladeren. En raakt jouw gezicht aan zoals nieuwe handen zouden kunnen doen. De weg is recht, de weg is krom. De weg voert van laag naar hoog en weerom en mét de hoogteverschillen verandert het gezicht van deze polder. Voor wie geen vrees kent, is veel moois weggelegd. Dit nieuwe landschap brengt geen scheiding aan tussen rivier en oevers. Bomen en runderen staan tot over hun enkels in het water. Vredig. Volkomen gerust op een goede afloop. Heimwee overspoelt je. Het is dit landschap, dat je nog niet kent en waarin zoveel verstreken tijd rondzingt. Bij het ontwaken zag je ooievaars. Een vriend appte je en vroeg: ‘Heten die waar jij nu bent dan Ooijevaars?’