Foto Alfred Oosterman | Tekst Marjolein Scherphuis

Hond

Je loopt er dagelijks langs met de hond. En ongewild denk je iedere dag hetzelfde. Je bent het er niet mee eens. Om te beginnen had het gedicht Stilte moeten heten, in plaats van Vogel. En verder had het niet geschreven moeten worden, niet op deze manier. Want het is niet waar dat een vogel geen geluid maakt. De vleugels van een vogel verplaatsen lucht en luchtverplaatsing maakt geluid. Misschien niet veel geluid, maar toch. Je begrijpt dat de dichter zijn verbazing wil uitspreken over het vermogen van vogels om te vliegen, om te zweven. En waar zweefvliegtuigen dat ten opzicht van gemotoriseerd vliegverkeer ogenschijnlijk geruisloos doen, maakt ook dat geluid. Dus het klopt niet. En dat stoort je. Iemand heeft de moeite genomen het gedicht op een muur te schilderen. Dat maakt het erger. Als het bij een handgeschreven versie op een kladblaadje was gebleven was het te overzien geweest. Nu staat er in koeienletters onzin op een muur gekalkt. Onzin die door de meeste mensen voor waar wordt aangezien. Want zo gaat dat. Wie hard schreeuwt, wordt geloofd. Je hebt het wel eens aangekaart, thuis. Maar daar is niemand geïnteresseerd in je betoog. Daar is om te beginnen niemand geïnteresseerd in het gedicht, laat staan in het bestaansrecht ervan. Je bent over het gedicht begonnen bij je lerares Nederlands en die nam je het woord af en roemde het gemeentelijke beleid om poëzie af te beelden in de stad. Nu erger je je twee keer aan het gedicht. Omdat het onwaar is en omdat het je eenzaam maakt. Soms word je boos op de hond. Vanwege het uitlaten. Je denkt erover een gedicht te schrijven met die titel. Hond.