Foto Alfred Oosterman | Tekst Marjolein Scherphuis

Herfst

Het zijn niet alleen de bladeren. Ook binnen jezelf is iets aan een tomeloze val begonnen. Hoe kan het dat je jarenlang als vanzelf samenleeft en dan ineens twijfelt? Hoe kan het dat achteloos vertrouwen omslaat in nachtelijk gepieker over gebeurtenissen, woorden die zijn gesproken of juist niet zijn gezegd? En, nog wezenlijker, hoe kan het dat een vreemde zomaar je leven in komt lopen en straffeloos die grote, alles omvergooiende onrust meebrengt? Het is het verkeerde seizoen. De lente is bedoeld voor dwaze verliefdheden. En jij staat zonder jas in een snijdende noordoostenwind. Je bent naar buiten gelopen met een smoes, de kleinheid daarvan was verachtelijk. En toch huppelde je hart toen je, eenmaal buiten, de koude lucht inademde en je telefoon in je hand nam. Je bent een willoos wezen geworden dat volkomen idolaat luistert naar de stem aan de andere kant van de lijn. Een stem die je met de snelheid van het licht zo eigen is geworden dat je nooit meer naar een andere stem wilt luisteren. Je legt jezelf het zwijgen op. En terwijl alles wat achter je ligt waardeloos lijkt te worden, luister jij naar de flinters toekomst die je worden ingefluisterd, met een stem zo zacht als het ritselen van vallend blad.