Foto Alfred Oosterman | Tekst Marjolein Scherphuis

Hakken

Haar nieuwe hakken zijn te hoog, ze zal blaren krijgen. Als ze straks de treden bij de ingang van ’t Feithhuis neemt, moet ze oppassen voor de gladde ondergrond. Leisteen, of zoiets. Bij het minste druppeltje regen spekglad. Ze huivert. Ooit zag ze een zangeres vallen, in het Concertgebouw. Was het Mathilde Santing? Ja, zij was het geweest. Ze stond bovenaan de podiumtrap, liet haar blik over het orkest gaan en keek de zaal in terwijl ze over de met rood velours beklede treden naar beneden schreed en struikelde. Er was een golf van ontzetting door de zaal gegaan. Zelf was ze ook ineengekrompen. Het moment was snel voorbij, de voorstelling begon na een grapje van de artieste. Iets over haar hakken. Over mooi willen zijn tegen wil en dank. Ze had zich ongetwijfeld bezeerd bij het oncharmante neerkomen, maar ze stond op, betrad het podium en zong.¬†Om haar heen had iedereen genoten van de avond maar in de donkerte van de zaal had zij steeds opnieuw de valpartij gezien, en steeds opnieuw de verlammende onmacht gevoeld die hoort bij vallen. Ze mindert vaart, omklemt het handvat van haar tas. Haar nieuwe hakken zijn te hoog.