Foto Alfred Oosterman | Tekst Marjolein Scherphuis

De goede kant op

Ze hebben samen bij de vijver gestaan en zich op het ijs gewaagd. De jongen nam een aanloop en gleed een stukje. Hij verloor zijn evenwicht, viel net niet. ‘Haal je handen uit je zakken, als je valt breek je je polsen.’ Hij klonk als zijn eigen vader en onmiddellijk kwam een andere zin in hem op. ‘Doe die deur dicht, we stoken hier niet voor de hele buurt.’ Ze keken naar de schaatsers – jonge ouders met jonge kinderen. Toen ze het koud kregen, keerden ze het ijs de rug toe. Als ze straks thuis zijn, zal hij warme chocolademelk voor de jongen maken. Hij denkt aan hoe hij vroeger de veters van zijn schaatsen probeerde te ontwarren, zijn vingers dik en stuurloos door de vrieskou. ‘Wees een vent, grienen is voor watjes.’ Voor hen klaart de lucht. Volgens de kalender is het bijna voorjaar. Ze gaan de goede kant op, hij en de jongen.