Foto Alfred Oosterman | Tekst Marjolein Scherphuis

Ballast

Je hoort ze dagelijks in je hoofd. De wetten waarmee je bent grootgebracht. Niet met lege handen naar de keuken. Niet met lege handen de trap op. Niet met lege handen waar dan ook naartoe. Ze spelen zichzelf af als een grijsgedraaide elpee op een platenspeler met een krakende naald. Altijd de pot omspoelen met heet water voor je thee zet. Je servet met kleine bewegingen uitvouwen voor je het op schoot drapeert. Je bestek van buiten naar binnen gebruiken. Je krijgt die innerlijke stem niet stil. Vanaf het moment dat je wakker wordt tot het moment dat je in slaapt valt krijg je de eisen die het bestaan aan je stelt, verpakt in zogenaamd goedbedoelde adviezen, om je interne oren geslingerd. Begrijpend knikken als je naar iemand luistert. Ouderen altijd voor laten gaan. Nooit zonder make-up de deur uit. Soms helpt het om veel wijn te drinken. Of een vette joint op te laten volgen door nog een vette joint. Maar als je dan midden in de nacht met hevige dorst wakker wordt, en heel even niet weet waar je bent, gaat de stem genadeloos door waar-ie was gebleven. Nooit je vuile was buiten hangen. De kleur van je schoenen laten matchen met de kleur van je handtas. Altijd op moeiteloze wijze geluk uitstralen. Aan sommige van de wetten kun je voldoen, zij het dat je tandenknarsend je theepot omspoelt met kokend water. Je bent het een ritueel gaan noemen om er nog iets van eigenheid aan toe te kennen. In andere verslik je je. Want liever liep je hier met lege handen.