Foto Alfred Oosterman | Tekst Marjolein Scherphuis

Schoon

Hij heeft geleerd om niet stil te staan bij de huizen die hij nog moet. Het werk gaat beter wanneer hij zijn volle aandacht richt op het raam waar hij mee bezig is. Sponzen, en dan de trekker erover. Raam voor raam, huis voor huis. Nu hij niet meer telt wat er aan werk voor hem ligt, kan hij beter nadenken. Hij weet wel wat ze zeggen over zijn beroep. Hij hoort de grappen ieder verjaardagsfeest met een flauwe glimlach aan. Of hij nog iets interessants gezien heeft, of hij de afgelopen tijd nog ergens naar binnen is geroepen. Hij is gestopt met erop te reageren. De meeste mensen zijn niet thuis als hij de ramen wast. Het heeft geen zin om dat te zeggen. Zijn maten genieten ervan om schreeuwerig hun fantasie├źn te benoemen. In deze straat, op de verdieping boven de bakkerij, zal straks een kind naar hem zwaaien, een jongetje. Vaste prik. Het kind houdt een beer tegen zijn borst geklemd en volgt met zijn ogen de bewegingen van de spons over het raam. Als hij klaar is met de trekker steekt hij zijn hand op. En dan zwaait het kind terug. Hij vindt dat mooi. Zoiets kan hij niet aan zijn maten vertellen, ze zouden hem uitlachen. Hij brengt zijn gedachten terug naar het raam waar hij nu bijna mee klaar is. Veegt met de doek de trekker schoon. Straks, na het zwaaien, zal hij zichzelf een broodje van de bakker gunnen.